HUURWAARBORG KORFINE


Zoals u wellicht weet werd de wettelijke regeling van de huurwaarborg ingrijpend gewijzigd door art. 103 van de reeds vermelde wet van 25 april 2007 "houdende diverse bepalingen (IV)” .

Zoals bekend, regelde het oude art 10 Woninghuurwet enkel het geval waarbij de partijen een huurwaarborg waren overeengekomen die uit een som geld bestond en die moest worden geplaatst bij een financiële instelling op een geďndividualiseerde rekening op naam van de huurder. Hieruit volgt dat het stellen van een huurwaarborg door de overhandiging, door de huurder aan de verhuurder, van een kapitalisatiebon, een verzekeringsbon of een niet verhandelbare titel op naam, niet onder de toepassing van art. 10 Woninghuurwet valt. In dat geval moet de verhuurder op het
einde van de huurovereenkomst deze titels teruggeven, eventueel vermeerderd met de
gekapitaliseerde intresten die deze titels hebben opgebracht. De voormelde wet van 25 april 2007 heeft hierin geen verandering gebracht.
 
Het blijft nog steeds mogelijk om overeen te komen dat de huurder in samenspraak met de verhuurder een andere vorm van huurwaarborg zal stellen dan één van de drie vormen die geregeld worden in het nieuwe art. 10 Woninghuurwet.
Ter staving van deze stelling kunnen twee argumenten worden aangevoerd. Het eerste argument ligt vervat in de bewoordingen van art. 10 § 1, eerste lid WHW : indien de huurder om de naleving van zijn verplichtingen te waarborgen één van de volgende in het volgende lid bepaalde vormen van huurwaarborg verstrekt. Het tweede argument kan geput worden uit de Memorie van Toelichting waar wordt gesteld dat de drie vormen van waarborg (geregeld in art. 10 WHW) bestaan zonder afbreuk te doen aan art. 1752 BW, dat toelaat om zekerheden te verstrekken om zijn verplichtingen als huurder te garanderen, wat – ondermeer – de mogelijkheid openlaat om echte zekerheden te verstrekken of om een verzekering te onderschrijven (Memorie van
Toelichting, 77).
De contractuele vrijheid geldt dus nog steeds inzake de vorm van de huurwaarborg. Een
wetsbepaling die het beginsel van contractuele vrijheid aan banden legt moet beperkend worden geďnterpreteerd. Indien de wetgever partijen zou willen verplichten om te opteren voor één van de drie vormen van waarborg die in art. 10 WHW geregeld worden, dan had hij deze radicale inperking van de contractuele vrijheid duidelijk en onmiskenbaar in de wet moeten opnemen, wat niet is gebeurd.
Bijgevolg kunnen huurder en verhuurder geldig en legaal een andere huurwaarborg bedingen dan één van de drie wettelijk geregelde vormen. De begrenzing van de omvang de huurwaarborg die opgelegd wordt door art. 10 WHW geldt niet voor deze andere vormen van huurwaarborg. Partijen dienen in onderling overleg de omvang van de waarborg te bepalen en kunnen dus perfect een huurwaarborg overeenkomen van twee of drie maanden huur.
 
De korfina huurwaarborg wordt gevestigd in een speciaal daartoe ontwikkeld contract. Het gaat om een verzekeringsbon met unieke kenmerken: de huurwaarborg is geblokkeerd op naam van de huurder en rendeert. De looptijd bedraagt 9 jaar, maar deze verzekeringsbon kan te allen tijde worden beëindigd mits akkoord van de verhuurder of na voorlegging van een vonnis. Daarenboven is voor Korfine een huurwaarborg meer dan het blokkeren van een som geld. De huurder wil ook zekerheid voor bijvoorbeeld zijn gezin. Dat ze kunnen blijven wonen als hij overlijdt, dat het huurcontract eventueel opgezegd wordt zonder dat de nabestaanden extra zorgen en kosten hebben. Bij overlijden van de huurder tijdens de loop van de huurovereenkomst wordt een huurreserve uitgekeerd aan de nabestaanden. Afhankelijk van de leeftijd wordt tot 1 jaar huur uitgekeerd. Deze huurreserve is een verzekering die automatisch gegeven wordt, zonder extra kosten, bij de huurwaarborg van Korfine. Dit is ook in het voordeel van de verhuurder, hij heeft een grotere waarborg ingeval dit risico zich voordoet.